Welkom

Welkom op de blog over het nieuwe boek van Francine Mestrum, 'Ontwikkeling en Solidariteit'. Hier kan U alle opmerkingen en ideeën kwijt in verband met ontwikkeling, ontwikkelingssamenwerking, armoede, millenniumdoelstellingen, fiscale paradijzen, internationale handel, schuldenlast en belastingen.







zondag 3 oktober 2010

Het programma van het neoliberalisme

Ik schreef in deze blog al eerder over het neoliberalisme en over de illusies van diegenen die denken dat het dood en begraven is.

Als je het neoliberalisme bekijkt vanuit een economisch theoretisch standpunt, dan kan dat kloppen, maar dat is al tien tot vijftien jaar het geval. Diverse academici hebben de uitgangspunten van het neoliberalisme onderuit gehaald, ze hebben bewezen dat de theorie van de comparatieve voordelen in de internationale handel vandaag niet opgaan, dat inflatie ook een structureel verschijnsel is, dat de privé-sector niet noodzakelijk en altijd beter presteert dan de overheid, dat begrotingstekorten een positieve rol kunnen spelen, enzovoort enzoverder. Ha-Joon Chang, de Koreaanse econoom waarover al een blog verscheen enkele weken geleden (zie: ’23 dingen …’, 5 september), heeft hierin een belangrijke rol gespeeld.

Praktisch gezien is het neoliberalisme echter verre van dood. Nog steeds werken het IMF en de Wereldbank met dezelfde recepten en het mondiale kapitalisme heeft ook na de zware financiële crisis waarvoor de werkende bevolking nu de rekening betaalt, hoegenaamd geen andere koers aangenomen.

Ik krijg vaak de vraag voorgeschoteld: maar wat is het neoliberalisme nu eigenlijk? Wat betekent het? De acht punten die John Williamson opsomde in 1990 zijn nog altijd de beste leidraad om het neoliberalisme te begrijpen (zie: ‘Nee, het neoliberalisme is niet dood’ van 1 september). En voor wie de achterliggende filosofie wil begrijpen zijn de boeken van Friedrich von Hayek en Milton Friedman het nuttigst.

Als we terugkijken op de afgelopen dertig jaar dan zien we vier verschillende fasen in het neoliberalisme.



In een eerste fase ging het inderdaad om het verzwakken van de staat. Door het beperken van de bestedingen en de noodzakelijke privatiseringen en dereguleringen kon en mocht de overheid geen rol meer spelen in de productie en in de sociale sector. Overheidsbedrijven werden van de hand gedaan, openbare diensten werden afgebouwd, de economie moest zich toespitsen op export om op die manier valuta binnen te halen waarmee de buitenlandse schuld kon worden afbetaald. Dat was de tijd van de ‘stabiliseringsprogramma’s en de ‘programma’s voor structurele aanpassingen’. In nagenoeg alle landen waar die programma’s werden uitgevoerd viel de groei stil.

In een tweede fase kwam de sociale sector nog meer in het vizier. Dat kon makkelijk want de structurele aanpassingen hadden inderdaad zware sociale gevolgen die door Unicef in kaart zijn gebracht. Toen kwam de Wereldbank met haar ‘armoedebestrijding’ op de proppen. Velen reageerden hier enthousiast op en dachten dat de Wereldbank een sociaal geweten had gekregen en haar fouten wilde goed maken. Maar wie de documenten aandachtig las, kon zien dat het de Wereldbank om iets helemaal anders was te doen. In eerste instantie wilde ze de bestaande sociale bescherming en sociale zekerheid afbouwen. Dat was, in haar ogen, immers geen opdracht voor de overheid en het kwam de arme mensen ook niet ten goede. Door die sociale bescherming af te bouwen werd echter nog meer armoede gecreëerd en werd het dweilen met de kraan open, zoals ook de millenniumdoelstellingen aantonen. In tweede instantie echter was het de Wereldbank ook te doen om zichzelf te legitimeren en om de neoliberale mondialisering een ‘menselijk gezicht’ te geven. Vandaar trouwens dat voortdurend op de rol van vrouwen werd gewezen: de ‘armsten onder de armen’, hoewel men helemaal geen cijfers heeft om aan te tonen dat vrouwen armen zouden zijn dan mannen. Maar het discours van de Wereldbank luidde een totaal nieuwe filosofie in over sociaal beleid.

In de derde fase, die in de tweede helft van de jaren ’90 begon, werd duidelijk dat het neoliberalisme niet zozeer een economisch programma dan wel een programma voor politieke hervormingen was. Het ging er niet om de staat te verzwakken, maar de staat een andere rol te laten spelen (zie blog-bijdrage: ‘De neoliberale sterke staat’ van 10 september). De overheid mocht niet langer werken aan sociale integratie, het creëren van werkgelegenheid, het aanbieden van sociale bescherming, het beschermen van ondernemingen tegen buitenlandse concurrentie, enz., maar moest in wezen de markt en de internationale concurrentie gaan beschermen. Vandaar dat zowat overal een relatief uniform programma werd ingevoerd van zogenaamde vrijhandel, bescherming van de investeringen, vrijstelling van belastingen, sociale bijdragen en milieunormen, met name in de bijzondere exportzones, bescherming van de eigendomsrechten en van de consumentenrechten (en niet langer van de rechten van werknemers). Alles was er op gericht de markt zo goed en zo vrij als mogelijk te laten functioneren. Multinationale ondernemingen mag niets in de weg worden gelegd.

In de vierde en (voorlopig?) laatste fase gaat het erom al die verworven rechten te vrijwaren en te beschermen. Het is in deze fase dat de laatste moedwillige landen militair zijn aangevallen, dat het hele ontwikkelingsdiscours meer en meer gekoppeld en verward wordt met een veiligheidsdiscours en dat de sociale bewegingen in verzet tegen dit neoliberalisme gecriminaliseerd worden. Vooral in deze fase wordt duidelijk wat neoliberalen met een ‘sterke’ staat bedoelen.

Deze neoliberale logica is dus nog lang niet gebroken. De hervormingen in de mondiale instellingen die iets aan die logica hadden kunnen veranderen – Wereldbank en IMF, maar ook de Veiligheidsraad van de VN – zijn volledig geblokkeerd. De VN wordt meer en meer vervangen door de G20, waarin de rijke landen proberen de grotere groei-economieën naar hun hand te zetten.

Dit betekent echter niet dat alles verloren is. Grote landen zoals China en Brazilië proberen langs andere wegen een nieuwe machtsverhouding tot stand te laten komen. Er ontstaan regionale handelsblokken in Latijns Amerika en Azië. De Dollar wordt meer en meer vervangen door alternatieve munten, zo niet door de Euro, dan wel door de Chinese Yuan.

Het is inmiddels wel duidelijk dat de hegemonie van de VS en de macht van de EU – de grote voorstanders van dit neoliberale beleid – aan het tanen zijn. Sociale bewegingen wereldwijd dragen hun steentje bij in het verzet tegen een beleid dat armoede en fragiele staten produceert. De grote vraag is wel door wat dit neoliberale beleid kan worden vervangen, want daarover is nog lang geen duidelijkheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen