Het debat over duurzame ontwikkeling, groei, koolstofemissies en zo meer is goed op gang gekomen. Gelukkig maar. De ecologische crisis is een feit en er moet zeer snel gehandeld worden om te redden wat nog kan gered worden. En misschien moet hier voor alle duidelijkheid nog even vermeld worden dat niet onze planeet gevaar loopt, maar wel de mensheid. Zullen mensen op deze aarde kunnen overleven? En wellicht moet daar een tweede vraag aan toegevoegd worden: zo ja, welke mensen? Het milieu bedreigt de armen meer dan de rijken, dat is ook geweten.
Voor sommigen betekent dit dat we moeten 'ont-groeien', dat onze economie moet krimpen in plaats van verder te groeien.Ik wil in dit bericht kort uitleggen waarom ik dat geen goed idee vind.
Het idee van de krimp is bijzonder actueel omdat het boek van Tim Jackson is vertaald: Welvaart zonder groei. En ik wil er meteen op wijzen dat aan het eind van het boek de auteur zelf op twee belangrijke nuanceringen wijst: We moeten groei van materieel verbruik stopzetten en een eind maken aan het consumentisme. In de westerse wereld is welvaart zonder groei een financiële en ecologische noodzaak.
Hiermee is mijn eerste bezwaar tegen een algemene krimp al verwoord: in de derde wereld is er zeker nog groei nodig, dat we over die groei in onze rijke landen moeten nadenken is een feit.
Mijn tweede bezwaar houdt verband met de groei van het 'materieel verbruik': hier kan ik alleen maar mee akkoord gaan. Maar dat betekent dus dat de groei van immaterieel verbruik wel kan, ook in onze westerse wereld.
Het lijkt allemaal zo evident, maar de voorstanders van krimp gaan daar meestal aan voorbij. Vandaar dat het idee van 'ont-groeien' helemaal niet correct is. Wat wel en zeer dringend moet gebeuren is het verminderen van onze ecologische voetafdruk. En dat is iets helemaal anders.
De reden waarom dit hele debat zo vaak verwarrend is, is dat er ook binnen de ecologische beweging grote meningsverschillen bestaan.
Voor sommigen is het voldoende de 'groei' te verdelen: iets minder hier, iets meer in de derde wereld. Echter, dit kan nooit lukken als niet ook het hele economische systeem wordt bekeken. Minder groei hier, dat hebben we gemerkt tijdens de economische crisis, betekent meteen meer werkloosheid en snoeien op de sociale zekerheid. Dat lijkt me dus geen goed idee, laat staan dat mensen dit een aantrekkelijke boodschap kunnen vinden.
Voor anderen moet het economisch systeem inderdaad volledig veranderen, maar zij denken dan aan een terugkeer naar 'gemeenschappen', met de invoering van gemeenschapssolidariteit, grote families, kleinschalige produktie, en zo meer. Ook hier gedaan met sociale rechten. 'Staat' en 'ontwikkeling' zijn voor de voorstanders van die ideeën trouwens uit den boze.
Ik denk dat we iets meer moeite zullen moeten doen om iets orgineels te bedenken. Want willen we echt onze mobiele telefoons en ons internet opgeven? Geen auto's en vliegtuigen meer produceren? Geen herverdeling van inkomens meer organiseren?
Het lijkt me duidelijk dat we af moeten van de groeidwang en dat we zeer zorgvuldig moeten nadenken in welke sectoren we kunnen en willen groeien en in welke niet. Dit debat is bijzonder belangrijk en ik hoop dat erg veel mensen het boek van Jackson zullen lezen. Misschien zullen ze ook mijn hoofdstuk over de 'wenselijkheid van ontwikkeling' willen lezen.
Een uitgebreid artikel over 'ont-groeien' kan men vinden op:
http://www.scribd.com/doc/23323620/De-Growth-or-Other-Growth-Francine-Mestrum-PhD-Www-globalsocialjustice-com
Welkom
Welkom op de blog over het nieuwe boek van Francine Mestrum, 'Ontwikkeling en Solidariteit'. Hier kan U alle opmerkingen en ideeën kwijt in verband met ontwikkeling, ontwikkelingssamenwerking, armoede, millenniumdoelstellingen, fiscale paradijzen, internationale handel, schuldenlast en belastingen.
Posts tonen met het label sociale ontwikkeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale ontwikkeling. Alle posts tonen
donderdag 26 augustus 2010
dinsdag 24 augustus 2010
Naar een universele sociale bescherming?
Het enthousiasme waarmee de ‘armoedebestrijding’ werd onthaald vanaf het begin van de jaren ’90 heeft velen wat verblind. Men dacht even dat alles anders zou worden, dat er in de ontwikkelingssamenwerking meer aandacht zou komen voor sociale ontwikkeling, dat de sociale bescherming zou uitgebouwd worden.
Dat was niet de bedoeling. De Wereldbank veranderde haar ‘structurele aanpassingen’ niet maar er werd een etiket ‘armoedevermindering’ opgeplakt. Door de begrotingsdiscipline die de arme landen moesten volgen werden sociale rechten afgebouwd. Het marktfundamentalisme verkondigde dat uitkeringen of minimumlonen uit den boze waren. De sociale zekerheid, zo heette het, was niet in het belang van arme mensen en was geen opdracht voor de overheid.
De millenniumdoelstellingen hebben de blindheid nog even verergerd, maar toch begon het begin van deze 21ste eeuw te dagen: er kwam niet méér sociale bescherming, maar voortdurend minder.
De ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) begon zich als eerste te roeren met een nieuw programma voor sociale zekerheid. Het was zeer voorzichtig, ergens tussen armoedebestrijding en klassieke sociale zekerheid in. Ook CEPAL, de VN-Economische Commissie voor Latijns Amerika stelde een ‘sociaal burgerschap’ voor, het principe waarop ook de westerse verzorgingsstaten gebaseerd zijn. UNRISD, de VN-onderzoeksinstelling voor sociale ontwikkeling begon na te denken over een nieuw sociaal beleid.
De ontgoochelingen over de armoedebestrijding – die weliswaar nodig maar verre van onvoldoende is – heeft het denkwerk versneld.
De Verenigde Naties geven nu geregeld verslagen uit waarin wordt gepleit voor een universele sociale bescherming. De ILO pleit voor een ‘social protection floor’. UNRISD grijpt terug naar de ideeën van vroeger, de ‘ontwikkelingsstaat’ en de ontegensprekelijke samenhang tussen economische en sociale bescherming.
De VN gaat in haar jaarverslag over de sociale ontwikkeling (2010) zelf zo ver om de armoedebestrijding zelf in twijfel te trekken. De statistieken worden in twijfel getrokken, er wordt gewezen op de groeiende ongelijkheid, sociale cohesie is een voorwaarde voor armoedebestrijding, zo wordt gesteld.
Er is ook een ander macro-economisch beleid nodig met een minder stringent handelsbeleid. De overheidsinkomsten zijn in alle arme landen gedaald als gevolg van de tariefverminderingen voor invoer en uitvoer.
De informele sector is gegroeid, er is meer en meer precair werk, de angst van de mensen neemt toe, de dreiging van armoede wordt reëel.
Wat mensen nodig hebben, zo stelt de VN, is vooral economische zekerheid. Decent werk met een decent inkomen. En een basis sociale zekerheid. Dat is perfect betaalbaar en kost niet meer dan ongeveer 4 % van het nationaal inkomen. Daarbij horen universele en onvoorwaardelijke uitkeringen.
Deze voorstellen zijn nog lang geen werkelijkheid. Maar dat de VN ze weer zo openlijk bepleit geeft moed. Laat ons hopen dat de millenniumdoelstellingen snel vergeten worden en dat alle energie naar de verdediging van een universele sociale bescherming kan gaan.
Wie het volledig verslag ‘Re-thinking Poverty’ wil lezen:
http://www.un.org/esa/socdev/rwss/docs/2010/fullreport.pdf
Dat was niet de bedoeling. De Wereldbank veranderde haar ‘structurele aanpassingen’ niet maar er werd een etiket ‘armoedevermindering’ opgeplakt. Door de begrotingsdiscipline die de arme landen moesten volgen werden sociale rechten afgebouwd. Het marktfundamentalisme verkondigde dat uitkeringen of minimumlonen uit den boze waren. De sociale zekerheid, zo heette het, was niet in het belang van arme mensen en was geen opdracht voor de overheid.
De millenniumdoelstellingen hebben de blindheid nog even verergerd, maar toch begon het begin van deze 21ste eeuw te dagen: er kwam niet méér sociale bescherming, maar voortdurend minder.
De ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) begon zich als eerste te roeren met een nieuw programma voor sociale zekerheid. Het was zeer voorzichtig, ergens tussen armoedebestrijding en klassieke sociale zekerheid in. Ook CEPAL, de VN-Economische Commissie voor Latijns Amerika stelde een ‘sociaal burgerschap’ voor, het principe waarop ook de westerse verzorgingsstaten gebaseerd zijn. UNRISD, de VN-onderzoeksinstelling voor sociale ontwikkeling begon na te denken over een nieuw sociaal beleid.
De ontgoochelingen over de armoedebestrijding – die weliswaar nodig maar verre van onvoldoende is – heeft het denkwerk versneld.
De Verenigde Naties geven nu geregeld verslagen uit waarin wordt gepleit voor een universele sociale bescherming. De ILO pleit voor een ‘social protection floor’. UNRISD grijpt terug naar de ideeën van vroeger, de ‘ontwikkelingsstaat’ en de ontegensprekelijke samenhang tussen economische en sociale bescherming.
De VN gaat in haar jaarverslag over de sociale ontwikkeling (2010) zelf zo ver om de armoedebestrijding zelf in twijfel te trekken. De statistieken worden in twijfel getrokken, er wordt gewezen op de groeiende ongelijkheid, sociale cohesie is een voorwaarde voor armoedebestrijding, zo wordt gesteld.
Er is ook een ander macro-economisch beleid nodig met een minder stringent handelsbeleid. De overheidsinkomsten zijn in alle arme landen gedaald als gevolg van de tariefverminderingen voor invoer en uitvoer.
De informele sector is gegroeid, er is meer en meer precair werk, de angst van de mensen neemt toe, de dreiging van armoede wordt reëel.
Wat mensen nodig hebben, zo stelt de VN, is vooral economische zekerheid. Decent werk met een decent inkomen. En een basis sociale zekerheid. Dat is perfect betaalbaar en kost niet meer dan ongeveer 4 % van het nationaal inkomen. Daarbij horen universele en onvoorwaardelijke uitkeringen.
Deze voorstellen zijn nog lang geen werkelijkheid. Maar dat de VN ze weer zo openlijk bepleit geeft moed. Laat ons hopen dat de millenniumdoelstellingen snel vergeten worden en dat alle energie naar de verdediging van een universele sociale bescherming kan gaan.
Wie het volledig verslag ‘Re-thinking Poverty’ wil lezen:
http://www.un.org/esa/socdev/rwss/docs/2010/fullreport.pdf
Abonneren op:
Posts (Atom)